Verdriet en Verlangen Over de besluiten rond vrouw in het ambt in de GKV

20-06-2017 09:30

VERDRIET EN VERLANGEN

 

Aanleiding

 

Het is donderdag 15 juni. Je weet dat de synode van de GKV vandaag besluiten gaat nemen over de vrouw in het ambt. Ik ben de hele dag bij een andere gelegenheid. Toch gaan mijn gedachten en hart steeds weer naar de vergadering van de synode. Wat zal er gaan gebeuren?  Hoe gaat deze vergadering om het het Woord dat we van de HERE door Zijn Geest voor alle tijden gekregen hebben.  Wat betekent dit ook voor de toekomst als het gaat om het lezen en toepassen van wat er in de Bijbel staat?

Je gedachten en je gebeden gaan zelfs  dan  naar de HERE op. Je hoopt en bidt dat het Woord van de HERE als de gezaghebbende stem in de bespreking en bij de besluiten gevolgd wordt. Dan kom je rond 23.30 thuis. Dan blijkt het dat het ambt van diaken en ouderling opengesteld is. De volgende dag zal nog gesproken worden over het ambt van predikant. Juist omdat het ouderlingenambt met grote meerderheid opengesteld is, kan het bijna niet anders als dat dit ook voor predikanten gaat gelden. Dat blijkt de volgende dag ook zo te zijn. Er is eerst nog sprake van dat de feitelijke invoering pas over drie jaar zal plaatsvinden maar dat blijkt later toch niet zo te zijn. Verder wordt er op gewezen dat de gronden die de deputaten gegeven hebben voor de openstelling van de ambten voor de ouderlingen en predikanten aangevuld zijn omdat een deel van de vergadering de Bijbelse onderbouwing te mager vond.  Ik ga me daarom nu eerst richten op die aanvulling die er gegeven is. Geven die gronden nog een ander zicht op de zaak. Zijn die vanuit de Schrift wel overtuigend? Betekenen die gronden dat de afgevaardigde ouderling Jan Jarig van der Tol, die een stemverklaring aflegde, het mis had toen hij zei dat de Schrift vogelvrij binnen de GKV geworden is. Hij heeft daarbij  ook nog aangegeven dat het Woord en de Geest van elkaar losgemaakt zijn. Had hij gelijk of moeten we ons laten overtuigen door de nieuwe gronden?

Ik ben al eerder ingegaan op de gronden die het rapport van deputaten: ‘Samen dienen” noemt. Ook op de discussie die naar aanleiding daarvan is ontstaan. Ik verwijs daarvoor naar drie eerder artikelen van mijn hand die in Weerklank hebben gestaan en die ook op het internet te vinden zijn:

http://www.evangelie-voor-elke-dag.nl/news/zonen-en-dochters-profeteren-enkele-opmerkingen-bij-de-discussie-over-vrouw-in-het-ambt/

http://www.evangelie-voor-elke-dag.nl/news/aanmatigende-of-onkundige-vrouwen-discussie-vrouw-in-het-ambt/

http://www.evangelie-voor-elke-dag.nl/news/bijbel-en-cultuur-voor-de-derde-keer-enkele-opmerkingen-bij-het-actuele-debat-over-vrouw-in-het-ambt/

 

We gaan nu naar de aanvullende argumenten kijken.

 

Gronden onder het besluit

 

Ik geef nu hieronder letterlijk weer wat die aanvullende gronden zijn. Ze worden genoemd in besluit 4:

Besluit 4:

uit te spreken dat er Schriftuurlijke gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst in het opzicht, het pastoraat en het onderwijs en daardoor tot het ambt van ouderling.

 

Gronden:

1. De figuren van Mirjam (Micha 6:4) en Debora (Recht. 4-5) laten vrouwen in het oude verbond zien die in samenwerking met mannen optreden in bestuur en rechtspraak.

2. Zij konden daartoe ook door God geroepen worden, zoals blijkt uit Micha6:4, waar de Heer aan Israel voorhoudt: 'Ik zond...Mirjam om jullie voor te gaan.'

3. Terwijl het Nieuwe Testament mannen als ouderen-oudsten noemt worden ook oudere-oudste vrouwen opgeroepen tot voorbeeld en zielszorg (Titus. 2:3-5).

4. Paulus' aanduiding van Junia en haar man Andronikus als apostelen die veel aanzien genieten, Rom. 16:7, of van andere echtparen als zijn medewerkers, Rom. 16:3, en zijn vermelding van echtparen en van een broer en zus bij wie aan huis een gemeente samenkomt, Rom 16:5,15 wekken de indruk dat man en vrouw in een gelijkwaardige positie samen leiding geven in Christus' gemeente.

 

Zijn dit nu sterke argumenten? Laten we er eens rustig naar kijken.  Ik ga het even punt voor punt bij langs.

1.       Mirjam en Debora moeten er nu voor dienen om te zeggen dat ouderlingen ook vrouwen mogen zijn. Mijn eerste vraag is of we bij Mirjam en Debora te maken hebben met een taak, een ambt waartoe God roept dat er steeds is.  Als het om ouderlingen gaat, hebben we te maken met een vast ambt. Een taak waartoe God in de kerk van het Nieuwe Testament steeds roept en waarvoor Hij ook duidelijke voorwaarden gegeven heeft. Niet ieder belijdend lid in de gemeente kan ouderling worden. De Geest zelf geeft ons in 1 Timotheus 3 en Titus 1:5-9 juist aan waaraan broeders in de gemeente moeten voldoen om ambtsdrager te kunnen zijn.

De HERE riep Debora in bijzondere omstandigheden om richteres te zijn. Het richter zijn was een tijdelijk ambt waartoe de HERE in bijzondere omstandigheden riep. Als dit een bewijs moet zijn dat vrouwen ook ouderling  moeten kunnen zijn dan zou je ook kunnen zeggen dat kinderen van 8 jaar ouderling moeten kunnen zijn. De HERE riep namelijk Josia als 8 jarige tot het koningschap. Op Mirjam kom ik bij het tweede punt terug. Er zou nog veel te zeggen zijn over het punt waarom de HERE op dat moment Debora riep om richteres te zijn maar daarvoor is er nu te weinig ruimte. Een ding is duidelijk dat dit een heel willekeurig Schriftberoep is als het gaat om het ambt van ouderling dat de Geest aan de kerk gegeven heeft om er steeds weer te zijn.

2.       Mirjam komt voor in de eerste en de tweede grond voor het besluit om het ambt van ouderling open te stellen voor de vrouw. Dit moet wel een heel sterk argument zijn als het in twee gronden gebruikt wordt. Er wordt hier gewezen op Micha 6:4: “Ik heb u immers uit het land Egypte geleid, u verlost uit het slavenhuis. Ik heb ​Mozes, ​Aäron​ en ​Mirjam vóór u uit gezonden.”

Gaat deze tekst over het punt  door wie HERE Zijn volk in de tijd van Micha en daarna wil laten leiden? Er is niets dat daarop wijst. De HERE geeft antwoord op de klacht dat de HERE Zijn volk in de steek gelaten zou hebben. Hij wijst er dan in Micha op hoe verkeerd er door de mensen die door de HERE geroepen zijn, leiding wordt gegeven. Gods volk en vooral de leiders maken er een puinhoop van.  De HERE zelf was het die Zijn volk bij de uittocht uit Egypte leiding gaf door Mozes, Aaron en Mirjam. Ieder van hen op hun eigen plaats en met een eigen verantwoordelijkheid!  Het is dan heel vreemd om Mirjam op te voeren als voorbeeld dat vrouwen nu het ambt kunnen bekleden dat vooral door regeren, opzicht en tucht gekenmerkt wordt. Want wat gebeurde er op het moment dat Mirjam geen genoegen nam met de plaats die de HERE haar gegeven had  en  zich ook met het regeren en de opzicht en tucht wilde bemoeien: Toen kwam  juist Gods straf over haar leven. Je kunt dat lezen in Numeri 12. Ze had van de HERE een bijzondere plaats gekregen bij het loven van de HERE. Zie Exodus 15:20,21.  Ook hier gaat het net als bij Debora niet om een geregeld ambt. Zodra Mirjam meer wil wordt ze juist door de HERE op haar plaats gezet.

Ook dit is een heel vreemde grond om nu voor vrouwelijke ouderlingen of predikanten te pleiten. Deze grond is een heel willekeurige manier van het gebruiken van de Schrift.

 

3.       In de derde grond wordt gewezen op Titus 2:3-5: “Evenzo moeten de oudere vrouwen in hun gedrag zijn zoals het ​heiligen​ past: geen kwaadspreeksters, niet verslaafd aan veel ​wijn, maar leraressen van het goede,  opdat zij de jongere vrouwen leren verstandig te zijn, hun man lief te hebben, hun ​kinderen​ lief te hebben, bezonnen te zijn en kuis, te zorgen voor hun huishouden, goed te zijn, hun eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord van God niet gelasterd wordt.”

De grote vraag is hier of het hierbij om een aparte taak in de gemeente gaat waarvoor bepaalde leden van de gemeente aangesteld moeten worden. Wanneer we Titus 1 en 2 lezen zien we dat dit niet het geval is. In Titus 1 lezen we dat Titus de opdracht krijgt om mannen  aan te stellen als ouderlingen die de gemeentes moeten leiden. Dat moeten mannen zijn die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Daarna geeft Paulus door de leiding van de Heilige Geest in hoofdstuk 2 aanwijzingen voor de hele gemeente! Voor oudere mannen, oudere vrouwen, voor jonge mannen en jonge vrouwen. Hij laat daarin ook zien hoe juist de oudere mannen en vrouwen voorbeelden voor de jongeren moeten zijn. Dat is de taak die we als gelovigen voor elkaar hebben. Wat vroeger vaak het ambt van alle gelovigen genoemd werd. Daarbij hebben de ouderen voorbeelden te zijn voor de jongeren onder leiding van de mannen die tot het ambt van ouderling zijn geroepen. Ook hier vinden we een heel zwakke grond onder het besluit om ook vrouwen ouderlingen te laten zijn.

 

4.       De laatste grond die het besluit moet dragen is wat er in Romeinen 16 over Andronikus en Junia  gezegd wordt. Dit moet wel een hele sterke grond zijn als je ziet dat de eerdere drie dat zeker niet zijn. Over wat we in Romeinen 16 over Andronikus en Junia staat, is ook veel te zeggen. Je ziet ook vertalingen waar je geen Junia lees maar Junias.  Maar we gaan nu uit van Junia als vrouw. Wie gewoon leest wat er staat, ziet dat ook dit een heel zwakke grond is.

Ik haal even aan wat professor van Bruggen hierover schrijft in zijn verklaring van het boek Romeinen: “Paulus schrijft dat dit echtpaar “vermaard onder de apostelen” is (verg SV; NBG-1951) Hij schrijft niet dat zij “als apostelen”(NBV) veel aanzien genieten. Zij zijn vermaard ‘ín de kring van de  apostelen’ (en tois apostolois) en het is nog de vraag of zij dan ook zelf apostelen zijn. Het bepalend lidwoord maakt het in ieder geval moeilijk om hier te denken aan de ruimere groep van kerkelijke afgezanten (iapostoloi; verg. 2 Kor 8,23) of aan rondtrekkende predikers en het algemeen. Het gaat om de ‘apostelen’. Nu hoeft dit niet te betekenen dat Andronikus en Junia ook zelf apostelen zijn en collega’s van Paulus en Petrus.” Je leest dergelijke dingen steeds weer in de uitleg van deze tekst. Het is dus heel vreemd om zo’n tekst te gebruiken om de conclusie te trekken dat vrouwen ouderlingen of predikant kunnen worden.

Er blijft werkelijk ook bij de nieuwe gronden niets over wat de conclusie kan dragen dat vrouwen ouderling of predikant kunnen zijn. Hier wordt echt exegetisch heel slecht werk geleverd. Ik moet zeggen dat ik dit exegetisch erg onbeholpen vindt. Daarin gaat de synode de kerken nu voor. Het gaat bij deze besluiten niet alleen om de vrouw in het ambt maar nog veel meer hoe je met het Woord van God omgaat. Daarover nog iets in het vervolg.       

 

Vogelvrij

 

 Wanneer je let op de gronden die onder de openstelling van het ambt van ouderling  voor de vrouw genoemd worden, krijg je de indruk dat er erg creatief met de Bijbel omgegaan wordt. Bepaalde speciale gevallen terecht of onterecht worden gebruikt om deze openstelling vanuit de Bijbel te rechtvaardigen. Terwijl de gewone regel in de Schrift is dat het mannen zijn die ouderling of predikant zijn.  Aan mannen wordt dit ambt in 1 Timotheus 3 en Titus 1 gegeven. Zo schrijft de Geest het ons voor. Dit wordt bevestigd  en zelfs vanuit de schepping als door God bepaald ons voorgehouden in 1 Tim 2:11-13.  Verder wordt dit op meerdere plaatsen in de Schrift bevestigd zoals bijvoorbeeld in 1 Kor 11:3-16.

De Bijbel wordt op deze manier een soort puzzelboek waaruit iedereen de dingen kan halen die je nodig hebt om eigen ideeën en eigen cultuur te kunnen rechtvaardigen.  Hier zie je gebeuren waar de Geest in 2 Petrus 1:19 tegen waarschuwt. Dan komen er de eigenmachtige uitleggingen van de Bijbel die meer gedreven worden door eigen cultuur en ideeën dan door het Woord van God zelf.  Dan gaan we het Woord aan ons onderwerpen om er mee te doen wat we zelf graag willen. Juist in deze tijd valt het dan ook op wat prof van Houwelingen in het blad Onderweg schrijft.  In het nummer van 29 april 2017. Het gaat mij nu om het gebruik van de Schrift. Het is een artikel dat gaat over omgaan met verschillen in de kerk. Het gaat dan om wat we in Galaten 2 lezen: “Maar toen ​Petrus​ naar Antiochië gekomen was, ging ik openlijk tegen hem in, omdat hij te veroordelen was. Want voordat er enkelen uit de kring van ​Jakobus​ gekomen waren, at hij samen met de heidenen; maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor hen die van de ​besnijdenis​ waren. En ook de andere ​Joden​ huichelden met hem mee, zodat zelfs ​Barnabas​ zich door hun huichelarij liet meeslepen. Maar toen ik zag dat zij niet juist wandelden, overeenkomstig de waarheid van het ​Evangelie, zei ik tegen ​Petrus​ in het bijzijn van allen: Als u die een ​Jood​ bent, naar heidens gebruik leeft en niet naar Joods gebruik, waarom dwingt u dan de heidenen op de Joodse manier te leven?” vs 11-14

Hierover schrijft prof van Houwelingen o.a. dit: “Broeders moeten elkaar de waarheid kunnen zeggen. Toch rijst de vraag of Paulus zijn verwijten niet te zwaar heeft aangezet, omdat hij het voorval als principiële kwestie opvatte. Was de kern van het evangelie werkelijk in het geding? We weten helaas niet hoe Petrus heeft gereageerd op de aantijgingen van zijn collega-apostel. Vermoedelijk wilde hij in Antiochië vooral een strategische zet doen, rekening houdend met de gevoelens van zijn mede-Joden.” In de trant schrijft prof van Houwelingen dan nog verder. Ik moet zeggen dat deze omgang met het Woord mij ontstelt.  Het is de Heilige Geest die Paulus dit laat opschrijven en die Paulus zo leidt dat hij dit beschrijft als een belangrijk en principieel verschil dat het evangelie echt raakt. Hebben wij dan het recht om dat anders te zien en te duiden? Nee, toch! Hoe kan ik wijzer zijn dan de Heilige Geest? Je ziet hier ook zo’n manier van vrijere omgang met het Woord waar wij het Woord gebruiken in plaats van ons er door te laten leren.

Hoe klein en voorzichtig dit ook lijkt het zijn de duidelijke voorbode van het vogelvrij maken van Gods Woord.  De Geest wordt in feite van het Woord losgemaakt als het ons niet meer past. Dat is iets waar ik echt bewogen en verdrietig van wordt. Juist omdat zo velen op een weg worden gebracht die al meer van de HERE, van de Here Jezus afleidt. In Afrikaans wordt vaak over ‘hartseer’ gesproken.  Zo voelt het ook als je deze dingen leest. Het voelt echt als pijn. Je voelt je haar zeer worden.  Dat brengt me bij het slot van dit artikel. Bij mijn verlangen.          

 

Verlangen

 

 Wat kunnen dingen in het kerkelijke leven en ook besluiten je een pijn doen.  Juist dan is er ook het verlangen. Niet maar het verlangen naar het verleden. We moeten niet maar conservatief of behoudend willen zijn. We moeten positief in diepe liefde en gehoorzaamheid in de wereld van 2017 christen en echt kerk van Christus willen zijn. Waarbij niet het verleden en ook niet de geest van de tijd beslissend is maar het Woord van de HERE!  Dat laat mij verlangen naar eenheid met allen die in ons land in liefde en gehoorzaamheid aan het Woord van God en de belijdenis van de kerk, die daarmee in overeenstemming is,  willen leven. Dan zucht ik want dan zie ik nog zoveel menselijke obstakels en toch leert dat me bidden. HERE werk in onze tijd toch het wonder van de 21e eeuw.  HERE ik verlang niet  naar een grote GKN maar naar een kerk waar Gods kinderen zich in liefdevolle onderworpenheid  aan Uw Woord vinden en zo samen kerk zijn. Niet mijn kerk maar Uw Kerk! Breng Uw kinderen die in liefde voor uw onfeilbare Woord leven en zo kerk willen zijn bij elkaar. Leer ons dan af om eigen gewoonten boven of naast uw Woord te stellen.

Ik eindig met dit gebed en dit verlangen zoals dit in de Afrikaanse berijming van Psalm 119:29 vorm heeft gekregen:

“Laat hul weer met my vergader

Wat u Naam van harte vrees,

Dat ons, in u woord verenig,

Een gemeenskap weer kan wees.

Laat my hart maar net opreg wees

Voor u oog wat alles sien,

Dan sal my geen skaamte oorkom nie

As ek U van harte dien.”